De regering-Trump zit in een diepe crisis. De brandstofprijzen zijn door de Amerikaanse-Israëlische oorlog in Iran en Libanon ongekend hoog geworden. De kosten van vliegtuigbrandstof zijn sinds het begin van de oorlog verdubbeld, en er zijn geen tekenen dat de prijzen zullen dalen. Dit dwingt luchtvaartmaatschappijen om hun uitgaven met miljarden te verhogen en de ticketprijzen te verhogen, waardoor consumenten de rekening betalen.

De stijgende brandstofprijzen hebben zelfs Spirit Airlines gedwongen om vorige week faillissement aan te vragen en de deuren te sluiten. Hoewel Republikeinen de schuld bij de regering-Biden leggen, wijzen de meeste Amerikanen naar president Trump. Zijn kabinet bagatelliseert de impact van de oorlog op de brandstofprijzen en stelt dat de hoge kosten "een kleine prijs zijn om een nucleair wapen uit handen van gestoorde regimes te houden".

De meeste Amerikanen ervaren de gevolgen van de oorlog direct: hogere kosten aan de pomp, duurdere vliegtickets of beide. En ze wijzen met een beschuldigende vinger naar Trump. Als de zinloze doden, verwoestingen en vluchtelingenstromen in Iran en Libanon nog niet genoeg waren om de publieke opinie tegen Trump te keren, dan doen de honderden dollars die consumenten extra betalen voor vakantievluchten dat wel.

Ondertussen dringen Trumps adviseurs er bij hem op aan de oorlog voor de zomer te beëindigen, uit angst voor verdere economische schade en politieke gevolgen. De vraag is echter of de president luistert naar deze waarschuwingen of vasthoudt aan zijn huidige koers.