De Britse schrijver Walter Tevis beschreef zijn sciencefictionroman The Man Who Fell to Earth uit 1963, geïnspireerd door zijn strijd met alcoholisme, als een "vermomde autobiografie". Het boek werd meerdere keren geïntroduceerd bij filmstudio’s voordat regisseur Nicolas Roeg het oppakte. Hij zag er een spiritueel verhaal in over vervreemding.
Roeg overwoog aanvankelijk Michael Crichton of Peter O’Toole voor de hoofdrol van een buitenaards uitvinder. Uiteindelijk liet hij zich overtuigen door Cracked Actor, een documentaire over een door cocaïne verslaafde David Bowie. Bowie transformeerde Tevis’ personage tot wat filmcriticus Pauline Kael later beschreef als "een verwelkte vreemdeling die iedereen vertegenwoordigt die zich niet begrepen voelt". Zijn bleke uiterlijk, slappe houding en mysterieuze uitstraling maakten hem tot een iconisch figuur. Bowie speelde in 1976 niet alleen de rol, maar creëerde ermee ook zijn latere alter ego’s uit albums als Station to Station en Low.
Wanneer een popster in een film speelt, verrijkt dat zowel de film als het imago van de artiest. De film biedt een podium om hun bekende persona verder uit te diepen, visueel en narratief, en versterkt zo hun culturele impact. In een tijd waarin de marges in de cultuurindustrie krimpen, zijn deze imago’s belangrijker dan ooit.
De druk om een herkenbaar en aantrekkelijk persona neer te zetten – tegenwoordig vaak een "era" genoemd – is enorm. Popsterren zoals Charli XCX zetten daarom grote teams in: creative directors, stylisten, videografen en assistenten. Zij moeten voldoen aan de verwachtingen van platenlabels, merken, agentschappen en talloze samenwerkingspartners, elk met hun eigen agenda’s.
Deze strategie is niet nieuw. Bowie toonde in de jaren 70 al hoe een filmrol een artiest kan herdefiniëren. Tegenwoordig zien we dit terug bij artiesten als Charli XCX, die met haar recente projecten bewust kiest voor een cinefiele koers. Het resultaat? Een diepere connectie met fans en een versterkt imago dat jarenlang blijft hangen.