Irak kampt met een groeiende dreiging aan zijn olie-industrie, veroorzaakt door een netwerk van Iran-gesteunde milities. Terwijl de internationale gemeenschap zich richt op de spanningen rond de Straat van Hormuz, voeren deze groepen systematisch aanvallen uit op cruciale olievelden en raffinaderijen in Irak. De gevolgen zijn verwoestend voor de economie en de energiezekerheid van het land.
Iran’s invloed in Irak: een netwerk van gewapende groepen
Iran sponsort een aantal gewapende milities in Irak die opereren onder de dekmantel van Iraakse veiligheidsinstellingen, maar in werkelijkheid trouw zweren aan de Iraanse opperste leider. Onder deze groepen bevinden zich zes organisaties die door de Verenigde Staten als terroristische groepen zijn aangemerkt. Hun doel is het bevorderen van de belangen van de Islamitische Republiek en het bestrijden van de Amerikaanse aanwezigheid in de regio.
Deze milities hebben in de afgelopen jaren honderden aanvallen uitgevoerd in Irak en aangrenzende landen, met name tijdens het conflict tussen de Verenigde Staten, Israël en Iran. Een groot deel van deze aanvallen was gericht op de oliesector, die goed is voor 90% van de federale begroting van Irak. De schade is enorm en het herstel zal jaren in beslag nemen. Bovendien dreigt een afname van Amerikaanse en Westerse investeringen de toekomst van de Iraakse olie-industrie te verzwakken.
Doelgerichte aanvallen op olievelden en raffinaderijen
De aanvallen beperken zich niet tot de door de Koerden bestuurde regio’s. In maart en april van dit jaar werden twee grote olievelden in de semi-autonome Koerdistanregio getroffen. Het Sarsang-veld, dat wordt geëxploiteerd door het Amerikaanse bedrijf HKN Energy, werd op 2 en 14 maart aangevallen door drones. Als gevolg hiervan heeft HKN de productie tijdelijk stilgelegd en onderzoekt het de schade.
Ook de Lanaz-raffinaderij, die voor het grootste deel in handen is van de politieke elite van de Koerdistanregio, werd doelwit. Daarnaast werd een drone waargenomen in de buurt van de Baiji-raffinaderij, de grootste raffinaderij van Irak. Op 4 april werden oliefaciliteiten in Federaal Irak (het deel van Irak buiten Koerdistan) aangevallen, waarbij de kantoren en infrastructuur van buitenlandse oliebedrijven werden getroffen.
Gevolgen voor buitenlandse bedrijven
Niet alleen Westerse bedrijven worden getroffen. In maart stortte een drone neer bij een faciliteit van PetroChina, een dochteronderneming van het Chinese staatsoliemaatschappij Sinopec, in Federaal Irak. Een andere aanval trof opslagfaciliteiten bij het Buzurgan-olieveld, waar een Chinees staatsbedrijf onder een technisch dienstverleningscontract de ontwikkeling leidt.
Deze aanvallen onderstrepen de risico’s voor buitenlandse investeerders in Irak. De Iraakse premier Mohammed Shia al-Sudani, die momenteel een overgangsregering leidt na de verkiezingen van november 2025, heeft herhaaldelijk gepleit voor meer Westerse – met name Amerikaanse – investeringen en samenwerking in de oliesector. Hij probeert buitenlandse bedrijven gerust te stellen over de veiligheid, maar de aanhoudende dreiging van milities maakt dit een uitdagende opgave.
Toekomstscenario: economische schade en energiezekerheid
De aanhoudende aanvallen op de olie-industrie hebben verstrekkende gevolgen. Naast de directe economische schade voor Irak, dreigt een afhankelijkheid van Iran te ontstaan. Dit zou niet alleen de energiezekerheid van het Westen ondermijnen, maar ook de positie van Amerikaanse en Europese bedrijven in de regio verzwakken. Voor China, dat al betrokken is bij verschillende olieprojecten, betekent dit een verhoogd risico op verstoringen in de bevoorrading.
De situatie benadrukt de noodzaak van een gecoördineerde internationale aanpak om de stabiliteit in Irak te waarborgen en de olie-industrie te beschermen. Zonder effectieve maatregelen zal de Iraakse economie verder verzwakken en zullen buitenlandse investeerders hun activiteiten mogelijk opschorten.