Een toneelstuk dat een meeslepend verhaal vertelt, is vaak lastig te beoordelen in een recensie. De kracht ervan ligt in de live ervaring: het langzaam ontrafelen van de lagen van een verhaal, waarbij het publiek zowel geschokt als ontroerd raakt door wat er uiteindelijk naar boven komt. Bubba Weilers nieuwe stuk ‘Nou, ik laat je maar gaan’ ging donderdag in première in Studio Seaview, na een wereldpremière vorig jaar in Brooklyn. Net als bij de recente productie van Jordan Tannahills ‘Prince Faggot’, biedt Studio Seaview een waardevolle tweede kans aan een veelbelovend nieuw werk.
Een ongebruikelijk verhaal over rouw en stilte
Weilers verhaal is onconventioneel. Een weduwe (Quincy Tyler Bernstine) raakt verzeild in een reeks gesprekken met familie, vrienden en zelfs vreemden na de gewelddadige dood van haar man – en ze heeft er weinig zin in. Toch duldt ze hun aanwezigheid, omdat zij die gesprekken harder nodig hebben dan zij. Bernstine speelt haar rol als een actrice die tegen de stroom in zwemt: 110 minuten lang moet ze haar personage neerzetten in een turbulente rivier. Ze doet dat door kleine stappen te nemen, haar woorden zorgvuldig te kiezen en af en toe even adem te halen. Haar uitvoering is beheerst, houdt meer in dan ze prijsgeeft, maar blijft desondanks volledig bevredigend.
Een verteller met een verrassende wending
‘Nou, ik laat je maar gaan’ bestaat grotendeels uit tweepersoonsscènes, aangevuld met een verteller (Matthew Maher). Deze verteller deelt ogenschijnlijk overbodige historische details over het huis van de weduwe, maar blijkt een schrijver te zijn die precies weet wat de personages denken. Weilers meesterzet? Hij houdt de identiteit van de verteller lang geheim. Of beter gezegd: zijn alternatieve identiteit.
Jack Serio’s regie slaagt er beter in om de subtiele kracht van Bernstine en Maher te benutten dan bij de bijrollen. In de slotfase van de voorstelling komen alle acteurs samen op het toneel, maar dit is eerder een regiebeslissing om de meubels en rekwisieten te verplaatsen (scenografie door Frank J. Oliva) dan een beeld van gemeenschap – al wordt dat aan het einde wel gesuggereerd.
Sterke punten en valkuilen
Het stuk begint met een vroege ochtendgesprek tussen de weduwe en haar emotioneel kwetsbare volwassen zoon. Een goede start, ware het niet dat Will Dagger als deze zoon te veel nadruk legt op onduidelijkheid. Zijn personage spreekt soms een taal die alleen hij begrijpt – alsof hij een vreemde taal gebruikt. Een scène die later in het stuk beter zou passen, maar nu direct aan het begin de impact verzwakt. Het voelt alsof de acteur en schrijver diepgang willen uitstralen, maar uiteindelijk alleen maar ondoorgrondelijk overkomen.
Ook de tweede scène, met Constance Shulman als een opdringerige begrafenisondernemer, mist de juiste toon. Haar brede, bijna karikaturale uitvoering staat in schril contrast met de subtiele benadering van Bernstine. Toch weet het stuk op cruciale momenten te ontroeren, vooral door de indrukwekkende prestatie van Bernstine, die haar verdriet en weerstand op een bijna tastbare manier weet over te brengen.
‘Een kwetsbaar juweel dat glanst ondanks zijn imperfecties.’
Conclusie: een aanrader met beperkingen
Ondanks enkele zwakke scènes en bijrollen blijft ‘Nou, ik laat je maar gaan’ een indrukwekkende ervaring. Quincy Tyler Bernstine levert een tour de force die de kijker meesleept in de emotionele strijd van haar personage. De regie en bijrollen laten soms te wensen over, maar de kern van het stuk – een diepgaande verkenning van rouw en stilte – blijft raak en ontroerend. Voor liefhebbers van intiem, karaktergedreven theater is dit een aanrader, mits je bereid bent om door de minder sterke momenten heen te kijken.