Na de metaaldetector volgde geen fouillering. Een bewaker markeerde mijn pols met ultravioletinkt, die alleen zichtbaar werd onder zwart licht. Omdat ik de achtergrondcheck had doorstaan, waren mijn boeken mijn identificatie.

De gedetineerden zaten op de tribunes in de grote sporthal, waar de benauwde lucht naar zweet en gewichten rook. Na elk gedicht dat ik voorlas, klapten ze met hun vingers om me aan te moedigen door te gaan. Een enkeling likte aan een ijsje.

In schone, kakikleurige uniformen staken ze beleefd hun hand op om persoonlijke vragen te stellen, voordat ze in de rij gingen staan – als ambassadeurs – om me de hand te schudden. Een bekende econoom had volgens hen een discussie gevoerd over kapitalisme, een systeem dat zij als gebaseerd op leugens beschouwden, niet op vertrouwen. ‘Als je liegt, word je president,’ zeiden ze.