Winkeldiefstal is strafbaar, en de meeste mensen weten dat al vanaf jonge leeftijd. Ouders, leraren en andere opvoeders leren kinderen dat stelen verkeerd is. Toch zijn er situaties waarin mensen in extreme noodzaak belanden en tot diefstal overgaan om te overleven. Hoewel we mededogen kunnen hebben met hun omstandigheden, blijft stelen moreel verwerpelijk. Als een kind een reep chocolade pakt uit de supermarkt, wordt het daar niet voor beloond – het wordt bestraft.
Toch zijn er linkse activisten die winkeldiefstal juist aanmoedigen en zelfs als ‘cool’ bestempelen. Twee van hen, Hasan Piker en Jia Tolentino, werden recentelijk flink bekritiseerd op sociale media na hun deelname aan een podcast van The New York Times met de titel ‘De rijken spelen niet volgens de regels. Waarom zou ik dat dan doen?’
Wie zijn Piker en Tolentino?
Deze uitspraak is des te opvallender omdat beide gasten zelf tot de elite behoren. Nadja Spiegelman, de presentatrice van de podcast, is cultuurredacteur bij de Times, auteur en dochter van de bekende striptekenaar Art Spiegelman (Maus). Jia Tolentino is een invloedrijke feministische schrijfster met een aanzienlijk inkomen. Hasan Piker, tenslotte, is een succesvolle Twitch-streamer met een extreemlinkse politieke signatuur en neef van Cenk Uygur, oprichter van The Young Turks.
Geen van hen heeft ooit in financiële nood gezeten. Toch verdedigen ze openlijk winkeldiefstal als een vorm van protest tegen het kapitalisme.
‘Stealing is cool’: hun controversiële uitspraken
Tijdens de podcast discussieerden ze over de morele rechtvaardigheid van stelen. Enkele opmerkelijke citaten:
Spiegelman: ‘Zou je stelen uit het Louvre?’
Piker: ‘Ja.’
Tolentino: ‘Ik zou het niet kunnen, maar zou ik iedereen toejuichen die het doet? Absoluut.’
Piker: ‘Ik vind het cool. We moeten terug naar coole misdaden zoals bankovervallen of het stelen van kostbare kunstwerken. Dat is veel cooler dan de duizenden nieuwe cryptomunten waar mensen in investeren.’
Spiegelman: ‘Zou je stelen uit Whole Foods?’
Tolentino: ‘Ja. En ik heb het ook gedaan, onder bepaalde omstandigheden.’
Tolentino relativeert haar eigen diefstal door te zeggen dat het ‘niet significant is als moreel kwaad of als protest’. Toch geeft ze toe dat ze het heeft gedaan. Piker gaat nog een stap verder: hij vindt winkeldiefstal niet alleen acceptabel, maar zelfs een vorm van verzet tegen grote bedrijven.
Piker: ‘Ik sta achter het stelen van grote bedrijven, omdat zij zelf veel meer stelen van hun werknemers.’
Waarom leidt dit tot zo veel kritiek?
Critici wijzen erop dat Piker en Tolentino zelf profiteren van het kapitalistische systeem dat ze bekritiseren. Hun uitspraken worden gezien als hypocriet en onrealistisch. Winkeldiefstal lost immers geen structurele ongelijkheid op – het schaadt vooral kleine bedrijven en onschuldige werknemers die vaak al onderbetaald worden.
Bovendien is hun argumentatie zwak: als grote bedrijven ‘stelen’ van hun werknemers, waarom zou dat dan gerechtvaardigd zijn door zelf te stelen? Het is een cirkelredenering die geen oplossing biedt voor de onderliggende problemen.
Conclusie: hypocrisie of serieuze politieke boodschap?
De uitspraken van Piker en Tolentino roepen vragen op over de geloofwaardigheid van linkse activisten die extreme standpunten innemen zonder zelf de gevolgen te dragen. Zijn hun woorden een serieuze politieke boodschap of slechts een provocatie om aandacht te trekken?
Eén ding is zeker: hun standpunten leiden tot felle discussies en tonen aan dat de linkse beweging niet altijd eenduidig is in haar benadering van economische ongelijkheid.