De veroordeling van Meta en Google door een Californische jury in maart, waarin beide bedrijven aansprakelijk werden gesteld voor het ontwerpen van verslavende platforms die schadelijk zijn voor kinderen, wordt door velen bestempeld als het ‘Big Tobacco’-moment van social media. De vergelijking is treffend, maar niet op de manier die de meeste mensen denken.
Het verhaal over de tabaksindustrie wordt vaak verteld als een triomfverhaal: een kwaadaardige industrie die ter verantwoording wordt geroepen, slachtoffers die worden gerechtvaardigd en een gevaarlijk product dat nu wordt gereguleerd. Maar wat dit verhaal vaak over het hoofd ziet, is precies wat er nu met social media gaat gebeuren.
De tabaksprocessen slaagden niet omdat sigaretten verslavend waren, maar omdat de industrie fraude had gepleegd. Decennialang wisten tabaksbedrijven dat nicotine verslavend was en dat roken kanker veroorzaakte, maar ze hielden deze kennis angstvallig geheim. De rechtszaken die succesvol waren, richtten zich niet op de verslaving zelf, maar op het verbergen van de waarheid. Zodra deze verborgen informatie aan het licht kwam en openbaarmaking verplicht werd, kwam het narratief van persoonlijke verantwoordelijkheid weer bovendrijven: volwassenen die roken, weten de risico’s en kiezen er toch voor.
Een vergelijkbaar patroon zien we in de voedingsindustrie. In de jaren 70 probeerden consumentenorganisaties de Federal Trade Commission te overtuigen om reclame voor junkfood gericht op kinderen te beperken. De industrie reageerde fel. Een redactiecommentaar in The Washington Post noemde het voorstel zelfs een poging om kinderen te beschermen tegen de zwakheden van hun ouders. Decennia later werd er een wet aangenomen die fastfoodbedrijven beschermde tegen rechtszaken over obesitas – eerst in het Huis van Afgevaardigden, later in staten door het hele land. Het boodschap was duidelijk: obesitas is een kwestie van wilskracht. Ondanks wetenschappelijk bewijs dat dieet en omgeving een veel grotere rol spelen, bleef het idee van persoonlijke verantwoordelijkheid overeind.
De recente veroordeling van Meta en Google wordt al gezien als een doorbraak in dit patroon. Toch is er reden tot voorzichtigheid. De geschiedenis van tabak en voedsel toont aan dat na onthullingen en juridische overwinningen vaak alleen maar waarschuwingen en meer persoonlijke verantwoordelijkheid volgen. Het onderliggende product blijft onveranderd.
De oplossingen die nu naar voren worden geschoven na de uitspraak tegen social media passen precies in dit patroon. Leeftijdsverificatie, ouderlijk toezicht, instellingen voor pushmeldingen en verschillende waarschuwingen leggen de verantwoordelijkheid voor bescherming bij individuele gebruikers (of hun ouders). De ontwerpkeuzes die een jury net onredelijk gevaarlijk heeft bevonden, blijven echter ongewijzigd. Het draait allemaal om het ‘notice-and-consent’-model: het idee dat geïnformeerde individuen zelf hun blootstelling aan schade kunnen en moeten beheren.
Dit model, dat decennialang de Amerikaanse consumentenbeschermingswetgeving heeft gedomineerd, werkt goed voor industrieën die aansprakelijkheid willen vermijden zonder hun bedrijfsmodel aan te passen. Voor de mensen die beschermd zouden moeten worden, werkt het minder goed. Zij worden gevraagd zichzelf te beschermen tegen platforms die – ontworpen door slimme mensen met enorme budgetten – juist moeilijk los te laten zijn.
Het tegenargument is voor de hand liggend: het herontwerpen van deze platforms zou iedereen treffen, niet alleen degenen die kwetsbaar zijn. Maar als de geschiedenis ons iets leert, is het dat structurele verandering alleen mogelijk is als de industrie zelf verantwoordelijkheid neemt – niet alleen juridisch, maar ook moreel.