Het Amerikaanse Hooggerechtshof heeft met een 6-3 uitspraak in de zaak Louisiana v. Callais opnieuw een flinke deuk geslagen in de Voting Rights Act van 1965. De rechtbank negeerde daarbij de historische context en de oorspronkelijke bedoeling van de wet, die zwarte Amerikanen na de Burgeroorlog bescherming moest bieden tegen raciale discriminatie bij verkiezingen.

De zaak draaide om de herindeling van congresdistricten in Louisiana na de volkstelling van 2020. Ondanks dat meer dan 30% van de bevolking van de staat zwart is, creëerde de wetgever slechts één meerderheids-district waar zwarte kiezers een grotere kans hebben om een vertegenwoordiger van hun keuze te kiezen. Zwarten in Louisiana werden daarmee politiek gemarginaliseerd, ondanks hun aandeel in de bevolking.

Een groep zwarte kiezers spande een rechtszaak aan en won in de lagere rechtbank. Als reactie herschikte de staat Louisiana in januari 2024 de congresdistricten opnieuw, waardoor een tweede meerderheids-district ontstond. Een groep zogenaamde ‘niet-zwarte kiezers’ spande daarop een nieuwe zaak aan, omdat zij vonden dat dit district een onconstitutionele raciale gerrymander was. De lagere rechtbank wees deze claim af, maar de staat ging in beroep bij het Hooggerechtshof.

In haar dissenting opinion legde rechter Elena Kagan uit waarom de oorspronkelijke eisers gelijk hadden: zwarte kiezers in Louisiana vormen een hechte gemeenschap met gedeelde politieke belangen, maar worden door de huidige indeling ‘gecrackt’ – een term die verwijst naar het opsplitsen van een gemeenschap om hun politieke invloed te verminderen. Hoewel ze wel mogen stemmen, kunnen ze niet de vertegenwoordiger kiezen die hun belangen het beste vertegenwoordigt, in tegenstelling tot witte kiezers.

De uitspraak van het Hooggerechtshof betekent dat zwarte kiezers in Louisiana minder politieke invloed behouden, ondanks de intentie van de Voting Rights Act om juist die ongelijkheid tegen te gaan. De rechtbank negeerde hierbij de geschiedenis van de Dertiende, Veertiende en Vijftiende Amendement van de grondwet, die na de Burgeroorlog waren aangenomen om de rechten van voormalig tot slaaf gemaakten te beschermen.

De zaak roept herinneringen op aan de beruchte uitspraak Plessy v. Ferguson uit 1896, waarin het Hooggerechtshof segregatie in het openbaar leven legaliseerde, zolang de voorzieningen maar ‘gelijk’ waren. Homer Plessy, een zwarte man, werd in Louisiana gearresteerd omdat hij in een treinwagon voor blanken zat. Hij spande een zaak aan op basis van het Gelijke-Beschermingsclausule uit het Veertiende Amendement, maar verloor. Deze uitspraak werd pas in 1954 ongedaan gemaakt in de zaak Brown v. Board of Education.

Experts waarschuwen dat de uitspraak in Louisiana v. Callais een precedent schept dat verdere aantasting van de Voting Rights Act mogelijk maakt. Het Hof lijkt vastberaden om de erfenis van decennialang streven naar gelijke verkiezingsrechten verder te ondermijnen.