Op 15 mei 2000 deed het Amerikaanse Hooggerechtshof een cruciale uitspraak in de zaak Morrison vs. Verenigde Staten. Het vonnis bepaalde dat de federale overheid beperkte bevoegdheden had om zaken van gendergerelateerd geweld onder de Violence Against Women Act te vervolgen.
De zaak ontstond toen Christy Brzonkala, een studente aan het Virginia Polytechnic Institute, beschuldigde Antonio Morrison en James Crawford van verkrachting. Brzonkala spande een civiele zaak aan op basis van de Violence Against Women Act, die federale schadevergoedingen mogelijk maakte voor slachtoffers van gendergerelateerd geweld. Morrison en Crawford betwistten de grondwettelijkheid van deze wet.
Het Hooggerechtshof oordeelde met een meerderheid van 5 tegen 4 dat de federale overheid geen bevoegdheid had om deze zaak te behandelen. Volgens het hof overschreed de wet de grenzen van de federale bevoegdheden zoals vastgelegd in de Amerikaanse grondwet. De uitspraak maakte duidelijk dat de federale overheid beperkt is in haar vermogen om via civiele procedures gendergerelateerd geweld aan te pakken.
De zaak had verstrekkende gevolgen voor de verdeling van bevoegdheden tussen de federale overheid en de staten. Het vonnis versterkte het principe dat de federale overheid alleen mag ingrijpen wanneer er een duidelijke grondwettelijke basis is. Voor slachtoffers van gendergerelateerd geweld betekende de uitspraak dat zij zich vaak tot de staatelijke rechtbanken moesten wenden voor rechtshulp.
Critici van de uitspraak betoogden dat het vonnis een stap terug was in de strijd tegen gendergerelateerd geweld. Zij wezen erop dat de Violence Against Women Act juist was bedoeld om slachtoffers beter te beschermen. Voorstanders van de uitspraak benadrukten echter dat de federale overheid niet onbeperkt bevoegdheden mocht claimen buiten de grenzen van de grondwet.