‘Ik ga niet naar de spoedeisende hulp’ werd het mantra van Andrej, mijn man, in de laatste maanden van zijn leven. Hij leed aan slokdarmkanker dat zich door zijn lichaam had verspreid, maar gelukkig niet naar zijn koppige brein. Als arts had ik thuis een rudimentair ziekenhuis ingericht, met hulp van specialisten die medicijnen voorschreven om zijn bloeddruk te reguleren, leverfalen te beperken, zijn hoest te dempen en het slikken te vergemakkelijken. Toch herhaalde hij die woorden keer op keer, zelfs toen vocht zich in zijn longen ophoopte en hij verstikte in pijnlijke hoestbuien. Andrej was ooit een forse, sportieve man, maar de ziekte maakte hem mager en zwak.

Zijn weigering om naar de spoedeisende hulp te gaan, was begrijpelijk. Elke eerdere ervaring had ons meegesleurd in een nachtmerrieachtige situatie: het wachten op een bed in de overvolle afdeling, bekend als ‘emergency department boarding’. Pas toen ik op een nacht om 2 uur geen oplossingen meer had, belde ik een ambulance. We vertrokken naar het ziekenhuis.

We wisten al dat een ziekenhuisopname niet betekende dat je direct een bed kreeg. Je kon uren, soms dagen, vastzitten in de gangen of een afgeschermde ruimte van de spoedeisende hulp, wachtend op een echte ziekenhuisbed. In deze tussentijd ben je technisch gezien al opgenomen, maar fysiek bevind je je nog steeds in de spoedeisende hulp. De regels voor zorg en veiligheid zijn hier vaag en onduidelijk.

In de zomer van 2024 moest Andrej plotseling worden opgenomen om een infectie uit te sluiten of te bevestigen dat de kanker niet naar zijn hersenen was uitgezaaid. In een New Yorks ziekenhuis lag hij meer dan 36 uur vast op een harde brancard, omringd door alarmsignalen en reanimatiepogingen. Dag en nacht waren niet van elkaar te onderscheiden. De toiletten waren gedeeld met tientallen andere patiënten en bezoekers. Niets van dit alles hielp zijn mentale toestand.

Na twee dagen herkende hij me nog vaag, maar hij was ervan overtuigd dat de artsen ‘de vijand’ waren en dat ik hun handlanger was. Toen ik uiteindelijk aandrong op een bed ‘boven’ – ik bedoelde een verpleegafdeling – werd hij vijf verdiepingen hoger gebracht. Pas toen realiseerde ik me