De Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring uit 1776 beschuldigde koning George III en het Britse Parlement van het "ophitsen van binnenlandse opstanden" onder de honderdduizenden mensen die in de Amerikaanse koloniën als slaaf werden gehouden. Deze beschuldiging was een reactie op een proclamatie van Lord Dunmore, de Britse gouverneur van Virginia, in november 1775. Hij bood vrijheid aan alle "indente slaven, negers of anderen (behorend tot rebellen)" die bereid waren om wapens op te nemen tegen de Amerikaanse revolutionairen.

Voor moderne lezers lijkt deze aanklacht hypocriet: de Founding Fathers vochten voor vrijheid, terwijl ze zelf duizenden mensen tot slaaf maakten. Ook in de 18e eeuw werd deze tegenstrijdigheid opgemerkt. In 1776 publiceerde de Britse schrijver John Lind een pamflet waarin hij de Onafhankelijkheidsverklaring regel voor regel weerlegde. Hij schreef:

"Is het aan hen om te klagen over het aanbod van vrijheid aan deze ellendige wezens? Over het aanbod om hen te herstellen in die gelijkheid die, in dit zelfde document, wordt verklaard Gods gave te zijn aan allen?"

Lind miste echter een cruciaal punt: de Amerikanen ontkenden niet dat het een tegenstrijdigheid was om slaven te houden terwijl ze vrijheid voor iedereen verkondigden. Integendeel, hun gêne over deze inconsistentie kwam vooral naar voren toen de Virginianen in juni 1776 hun eigen Declaration of Rights opstelden. Thomas Jefferson ging zelfs zo ver dat hij toegaf dat slaven gerechtigd waren om in opstand te komen tegen hun onderdrukkers. De gedachte dat Gods "gerechtigheid niet voor eeuwig kan slapen" deed hem zelfs trillen, zo zei hij.

De werkelijke betekenis van de passage over "binnenlandse opstanden" is echter complexer dan vaak wordt gedacht. Om dit te begrijpen, moeten we terug naar oktober 1769. Toen benaderde een arme man genaamd Samuel Howell de jonge advocaat Thomas Jefferson in Williamsburg. Howell vroeg Jefferson om hulp bij zijn strijd voor vrijheid. Zijn overgrootvader was een zwarte man die een dochter kreeg met een blanke vrouw. Volgens de wetten van Virginia uit die tijd werd deze dochter tot haar 31e jaar tot slavernij veroordeeld. Tijdens haar diensttijd kreeg ze een dochter – de moeder van Howell – die eveneens tot haar 31e jaar werd vastgehouden. Howell zelf werd vervolgens verkocht als slaaf, omdat de eigenaar van zijn moeder en grootmoeder aannam dat ook hij tot zijn 31e jaar tot slavernij was veroordeeld.

Twee wetten uit Virginia speelden hierin een cruciale rol:

  • Eerste wet: Als een "vrije christelijke blanke vrouw" een kind kreeg met een zwarte man, zou dit kind tot zijn 31e jaar tot slavernij zijn veroordeeld.
  • Tweede wet: Als een "gemengd ras vrouw" (een mulattin) tot haar 30e of 31e jaar tot slavernij was veroordeeld en tijdens haar diensttijd een kind kreeg, zou ook dit kind tot dezelfde leeftijd als zijn moeder tot slavernij zijn veroordeeld.

De eerste wet maakte Howell’s grootmoeder tot slaaf, en zijn moeder kwalificeerde waarschijnlijk als een "gemengd ras vrouw". Howell zelf werd geboren tijdens haar diensttijd, waardoor hij volgens de wet ook tot slaaf werd gemaakt. Dit voorbeeld illustreert hoe de wetten van Virginia, en de Founding Fathers die deze wetten handhaafden, bijdroegen aan de institutionele slavernij in Amerika – ondanks hun idealen van vrijheid en gelijkheid.

Bron: Reason