Een rechter van het Hooggerechtshof van de staat Washington heeft een uitspraak gedaan in de zaak Asbach v. Couto, waarin de vraag centraal stond of een verbod op het publiceren van online berichten over een ex-echtgenote en hun kinderen in strijd is met de Eerste Amendement van de Amerikaanse grondwet.
De zaak draait om een scheiding in 2012 tussen Couto en Karina. Sindsdien zijn er meerdere beschermingsbevelen tegen huiselijk geweld (DVPO’s) tegen Couto uitgevaardigd, zowel voor Karina als voor hun kinderen: de inmiddels meerderjarige Aiden en de toen nog minderjarige NC. Uit getuigenverklaringen en eerdere procedures blijkt dat Couto herhaaldelijk agressief gedrag vertoonde, zoals schreeuwen, het gooien met voorwerpen en het zwaaien met een mes.
In 2024 publiceerde Couto een YouTube-video waarin hij probeerde contact te leggen met zijn inmiddels volwassen zoon Aiden. In deze video beschuldigde hij Karina van narcistisch gedrag en leugens. Karina diende daarop een verzoek in voor een nieuw beschermingsbevel, evenals voor de verlenging van het bevel voor NC. Aiden diende ook een verzoek in, gebaseerd op de video en de beschuldiging dat Couto doelbewust bij Aidens werkplek en een supermarkt waar NC was, was verschenen.
De rechtbank verleende de beschermingsbevelen voor Karina en Aiden en verlengde het bevel voor NC met één jaar, waar Couto mee instemde. De rechtbank oordeelde dat de YouTube-video van Couto een vorm van coercieve controle was. Het bevel verplichtte Couto om de video te verwijderen en verbood hem om nieuwe berichten of video’s te plaatsen of te delen waarin hij verwees naar Karina, Aiden of NC.
Het Hooggerechtshof bevestigde dat de rechtbank terecht beschermingsbevelen heeft verleend aan Karina en Aiden, en dat de toekenning van advocaatkosten aan Karina voor de verlenging van NC’s bevel correct was. Echter, het hof oordeelde dat het verbod op het plaatsen van nieuwe berichten en video’s te breed was geformuleerd en daarmee in strijd met de Eerste Amendement.
Couto betoogde dat het verbod om berichten of video’s te plaatsen of te delen waarin hij verwees naar Karina, Aiden of NC, zijn grondrecht op vrijheid van meningsuiting schendt. Het hof ging hierin mee. Het verbod was volgens het hof een inhoudsgebaseerde beperking, omdat het specifiek gericht was op het onderwerp van de berichten: de kinderen en Karina. Het hof erkende dat de staat een legitiem belang heeft in het voorkomen van huiselijk geweld, maar oordeelde dat het verbod niet voldoende was afgebakend om proportioneel te zijn.
Het vonnis benadrukt dat beschermingsbevelen weliswaar noodzakelijk kunnen zijn om slachtoffers van huiselijk geweld te beschermen, maar dat deze niet mogen leiden tot een ongerechtvaardigde beperking van de vrijheid van meningsuiting.