Op 21 november 1974 ontplofte de Provisional Irish Republican Army (IRA) twee bommen in pubs in Birmingham, Engeland. De aanslagen waren onderdeel van de campagne om de Britse overheersing in Ierland te beëindigen. Bij de aanslagen kwamen 21 mensen om het leven en raakten bijna 200 gewond. Het was destijds de dodelijkste terroristische aanval in Engeland sinds de Tweede Wereldoorlog.
De politie arresteerde direct zes Ierse mannen, die later werden veroordeeld op basis van gedwongen bekentenissen. De zaak leidde tot een van de meest controversiële uitspraken in de Britse rechtsgeschiedenis. Lord Denning, een van de meest invloedrijke rechters van zijn generatie, weigerde de veroordelingen te herzien, ondanks overtuigend bewijs van politiegeweld en meineed. Zijn uitspraak dat de zaak niet verder mocht gaan, omdat dit de Britse justitie zou ondermijnen, werd later als een schandvlek gezien.
Pas in 1991 werden de zes mannen, bekend als de Birmingham Six, vrijgesproken na jarenlange juridische strijd. Hun zaak onthulde diepe structurele problemen in het Britse justitie- en politieapparaat.
Koloniale erfenis in de Britse politie
De wijze waarop de politie in Groot-Brittannië functioneert, draagt de sporen van het kolonialisme. Tot de jaren 1970 waren de meeste hoofden van de Metropolitan Police voormalige militaire officials met ervaring in de koloniën. De politie benaderde Londen als een koloniaal bezit: corrupt, bevoorrechtend voor machtige groepen, en gericht op het handhaven van de sociale orde ten koste van rechtvaardigheid.
Een vergelijkbare situatie in de Verenigde Staten is de LAPD, die eveneens bekendstaat om corruptie en koloniale controlemethoden. Maar stel je voor dat er geen FBI was om grove misdaden te onderzoeken, of dat de LAPD zowel de nationale contraterrorisme-eenheid als de politiekorpsen van New York en Washington D.C. zou omvatten. Zonder externe controle zou het systeem nog kwetsbaarder zijn voor machtsmisbruik.
Het vergeten imperium en de gevolgen
Er is decennialang geprobeerd om het Britse Rijk te vergeten en de rol ervan in de binnenlandse politiek en samenleving te negeren. Historicus David Kynaston schreef een omvangrijke tetralogie over Groot-Brittannië tussen 1945 en 1965, maar besteedde nauwelijks aandacht aan de impact van het imperium. Britse scholieren leerden uitgebreid over de Tudors en het oude Rome, maar wisten weinig over de Britse Raj in India.
De winsten uit het kolonialisme financierden onder meer de Britse welvaartsstaat, een bron van trots voor veel Britten. Toen deze winsten in de jaren 1970 wegvielen door economische crises, leidde dit tot het ontstaan van het Thatcherisme. Deze politieke koers begon de afbraak van de welvaartsstaat en de industriële basis die de Britse arbeidersklasse ondersteunde.
De Amerikaanse diplomaat Dean Acheson zei in 1962 al: "Groot-Brittannië had een imperium verloren en had nog geen nieuwe rol gevonden." Maar in de jaren 1990 vond het land een nieuwe functie: als een financieel centrum voor het witwassen en beheren van vermogen afkomstig uit de voormalige Sovjet-Unie. Dit leidde tot banen voor dure advocaten, bankiers en particuliere scholen, terwijl de rest van de samenleving verder verarmde.