Een verdeeld Amerika: de realiteit van de Revolutionaire tijd

Al voor de Amerikaanse Onafhankelijkheid was de samenleving diep verdeeld. John Adams schreef in de aanloop naar de Revolutie dat slechts één derde van de bevolking achter de onafhankelijkheid stond, terwijl een derde tegen was en de laatste derde zwevend bleef tussen beide kampen. Toch kozen de leiders van de Revolutie voor een idealistisch ideaal: de vorming van een burgerlijke vriendschap die al eeuwenlang bestond in lokale en koloniale besturen.

De wortels van burgerlijke vriendschap

In de koloniale tijd was het concept van burgerlijke vriendschap en gelijkheid al zichtbaar in de praktijk van lokale vertegenwoordiging. De ondertekenaars van het Mayflower Compact in 1620 beloofden zich te verenigen "tot een burgerlijk lichaam, voor onze betere ordening en behoud… tot het algemene welzijn van de kolonie". Deze banden ontstonden voordat de samenleving zelf vorm kreeg. Het idee van burgerlijke vriendschap, zoals Aristoteles dat beschreef, draaide om een vriendschap van nut: burgers werkten samen om hun eigenbelang te dienen, maar deden dat in harmonie voor het welzijn van de stad (polis) en hun medeburgers.

In de praktijk betekende dit dat burgers de politieke realiteit accepteerden van heersen en geregeerd worden, met het vertrouwen dat iedereen het beste voorhad met de gemeenschap. Deze wederkerigheid creëerde uiteindelijk de voorwaarde voor burgerlijke gelijkheid.

Thomas Paine en de kracht van samenleving

Tegen de tijd van Thomas Paine’s Common Sense (1776) was de focus verschoven. Paine betoogde dat de samenleving zelf positieve gevoelens van eenheid creëerde, waardoor gemeenschappelijke doelen konden worden bereikt. Tegen het midden van de jaren 1770 werd zelfbestuur niet alleen als ideaal gezien, maar als de enige legitieme vorm van bestuur die zowel eenheid als gedeelde doelen kon waarborgen.

De breuk met Groot-Brittannië: een einde aan wederkerigheid

De invoering van de Intolerable Acts in 1774 na de Boston Tea Party veranderde alles. Deze wetten schaften niet alleen het zelfbestuur in Massachusetts af, maar maakten ook een einde aan de wederkerigheid die zo essentieel was voor burgerlijke vriendschap. Volgens Aristoteles’ visie was burgerlijke vriendschap gebaseerd op het principe van heersen en geregeerd worden in beurt. Onder direct Brits bestuur was dit echter onmogelijk: de koloniën konden nooit hopen de Britten te regeren, en de relatie werd fundamenteel ongelijk en oneerlijk.

Ondanks bijna 170 jaar van gedeelde cultuur, sociale banden en economische voordelen tussen de Amerikaanse koloniën en Groot-Brittannië, maakte de directe Britse interventie in Massachusetts een einde aan de mogelijkheid van burgerlijke vriendschap. De koloniën werden geconfronteerd met een politiek raadsel: zonder onafhankelijkheid was er geen oplossing voor het verlies van wederkerigheid en eerlijk bestuur.

Een onvermijdelijke keuze

De Amerikaanse Revolutie was niet alleen een strijd om onafhankelijkheid, maar ook om het herstellen van een vorm van burgerlijke vriendschap die gebaseerd was op gelijkheid en wederkerigheid. De idealen van de Verklaring van Onafhankelijkheid weerspiegelden deze diepe wens naar een samenleving waarin burgers samenwerkten voor het algemene welzijn, in plaats van onderworpen te zijn aan een onrechtvaardig systeem.

"De samenleving bevordert ons geluk door onze gevoelens van eenheid te versterken en gemeenschappelijke doelen te bereiken." — Thomas Paine, Common Sense

De erfenis van burgerlijke vriendschap

De idealen van de Amerikaanse Revolutie legden de basis voor een nieuw soort samenleving, waarin burgerlijke vriendschap niet langer afhankelijk was van loyaliteit aan een koning, maar voortkwam uit gedeelde waarden en wederkerigheid. Deze visie bleef een krachtige inspiratiebron voor de vorming van de Verenigde Staten en blijft tot op de dag van vandaag relevant in discussies over democratie en eenheid.

Bron: Reason