Wie zijn je vijanden? Die vraag kreeg ik gedurende mijn hele carrière bij sollicitatiegesprekken. En elke keer bleef mijn antwoord hetzelfde: ik had er geen. Geen vijanden. Maar als ik geen indrukwekkende lijst kon overleggen, volgde steevast dezelfde reactie: hoe kun je claimen competent te zijn zonder machtige vijanden?

Ik besefte dat dit idee van vijanden diep geworteld zit in een traditioneel mannelijk machtsconcept. Voor veel mannen geldt: om te winnen, moet een ander verliezen. Succes wordt vaak gekoppeld aan het hebben van tegenstanders. Maar wat als je die mentaliteit niet deelt?

Voor mij voelde dat advies als een uitnodiging om een agressieve bullebak te worden om mijn carrière te laten groeien. Maar hier is het probleem: ik ben zelf als kind gepest. En dat was verschrikkelijk. Vanaf dat moment besloot ik nooit de kant van de pesters te kiezen die mij pijn deden. En als dat niet goed was voor mijn carrière? Dan zou ik een andere weg vinden.

Ik vroeg me vaak af of ik mijn carrière beperkte door te vriendelijk te zijn. Of ik me machtig moest voelen om succesvol te zijn. Moest ik me krachtig gedragen, ook als ik me niet zo voelde? Was ik als leider misschien niet goed bezig omdat ik me niet machtig voelde?

Zelfs in mijn grootste functies, waar ik daadwerkelijk macht had – duizenden medewerkers onder mijn leiding, miljoenen aan budget, miljarden aan omzet – voelde ik me persoonlijk nooit machtig. Wat ik wel voelde, was een verpletterende verantwoordelijkheid.

De pesterige leidinggevende

Tot op een dag duidelijk werd wat ik moest doen met dit idee van ‘machtig gedragen’. Ik zat in een klein vergaderzaaltje op de Long Island-kantoren van een klant. Aanwezig waren de technologische directeur, een dominante en intimiderende man, en zijn directe ondergeschikte, die we Seth zullen noemen.

De directeur zei: ‘De reden dat we dit probleem hebben, is omdat Seth domme fouten maakt. Hij is slecht in zijn werk. Niemand luistert naar hem. Hij verpest alles.’ Seth zat er klein en vernederd bij. Ik kromp ineen en voelde me ellendig voor hem. Ik kende dat gevoel maar al te goed. ‘Kleine Patty’, die zelf gepest was, voelde haar kinderlijke angsten en onzekerheden weer opborrelen terwijl ze deze directeur Seth zag afzeiken.

Ik had eerder met Seth samengewerkt. Hij wist honderd keer meer dan deze directeur. Het probleem was niet Seth. Deze directeur was een bullebak. Maar toen gebeurde er iets vreemds en misselijkmakends. Toen de directeur me uitliet, kwamen we zijn baas tegen in de lobby. Plotseling veranderde de bullebak in een onderdanige slijmbal. Ik was geschokt.

Hij moest Seth afzeiken om zich machtig te voelen, maar durfde niet machtig te zijn tegenover zijn eigen baas. Dit moment maakte me duidelijk: dit mannelijke machtsideaal is niet alleen onjuist, het is ook hypocriet.